Fietspositie

De ideale fietspositie
Dé ideale fietspositie is moeilijk te bepalen, theorie en praktijk kunnen ver uit elkaar liggen en is mede afhankelijk of fysieke klachten een rol spelen. ‘Wetenschappelijk’ kun je wel een ideale fietspositie bepalen hoewel het geen exacte wetenschap is. De fietsafstelling is afhankelijk van comfort, doel, lichaamsafmetingen en/of beperkingen. Hieruit kun je de conclusie trekken dat statische formules een prima uitgangspunt zijn en dat er vervolgens een dynamische controle dient te volgen. Aanpassingen in de fietsafstelling kunnen invloed hebben op de prestatie, direct of via een efficiëntere beweging. Voor een fietspositie waarbij de geleverde arbeid maximaal wordt omgezet in beweging moeten biomechanische en fysiologische variabelen worden geoptimaliseerd. De optimale transfer van lichaamskracht naar de fiets is grotendeels afhankelijk van 5 variabelen:

  1. Trapfrequentie
  2. Cranklengte
  3. Voetpositie
  4. Zadel hoogte
  5. Zitbuishoek /zadelterugstand

Trapfrequentie
Onderzoek toont aan dat er een vaste relatie bestaat tussen de kracht die een bepaalde spier kan leveren en de snelheid waarmee hij samentrekt: hoe sneller de spier samentrekt des te minder kracht hij kan leveren. De prestatie (fietssnelheid) is afhankelijk van het vermogen (kracht x snelheid). Spieren leveren het grootste vermogen als ze samentrekken met een snelheid waarbij ze 30 % van hun maximale kracht leveren. Daarnaast blijken spieren dan ook nog eens het minste energie te gebruiken, dus het meest efficiënt werken. De optimale combinatie van kracht en snelheid voor de bovenbeenspieren tijdens het fietsen wordt kennelijk bereikt bij een trapfrequentie van 90-100 pedaalslagen per minuut. De trapfrequentie is erg afhankelijk van de kracht die geleverd moet worden. Bij bergop en wind tegen worden doorgaans lagere trapfrequenties gereden. Overigens hanteren goed getrainde renners een hogere trapfrequentie dan minder getrainde renners. Zij hebben eveneens, een op spierniveau meer uitgesproken coördinatief vermogen voor de fietsbeweging.

Cranklengte
De cranklengte bepaald met welk momentsarm, de kracht van het been, via de ketting uiteindelijk op het wiel wordt uitgeoefend. Wanneer de trapfrequentie gelijk blijft en de cranklengte toeneemt zal de snelheid ook toenemen. Omgekeerd is het zelfde waar, als de cranklengte gelijkt blijft en de trapfrequentie toe neemt zal dit ook resulteren in een grotere snelheid. Hieruit kun je concluderen dat zowel de cranklengte als trapfrequentie zo groot mogelijk moeten zijn. Echter, de lengte van de crank is bepalend voor de trapfrequentie waarbij een langere crank resulteert in een lagere trapfrequentie. Wil je de trapfrequentie dus tussen de 90- 100 rpm houden dan zal de cranklengte hierop moeten worden aangepast.
Spieren hebben een optimale lengte waarbij ze meeste vermogen kunnen leveren. Langere spieren hebben daardoor een langere crank nodig zodat de gewrichtshoeken groter worden. Er zijn verschillende onderzoeken naar de optimale cranklengte gedaan voor verschillende been lengtes:

Cranklengte (mm) Lengte (m)
160.0  <1.52
 165.0 – 167.5  >1.52 – <1.68
 170.0  >1.68 – <1.83
 172.5  >1.83 – <1.89
 175.0  >1.89 – <1.95
 180.0 – 185.0  >1.95

Voetpositie
De belangrijkste factor m.b.t. de positie van de voet op de pedaal, als het gaat om de krachtoverbrenging, is de voor- achterwaarts instelling van de schoenplaatjes.
De schoenplaat moet in de lengterichting zodanig aangepast zijn dat de bal van de voet precies boven het midden van de pedaal as ligt.
Als de bal van de voet zich vóór de pedaalas bevindt, wordt de effectieve hefboom van de enkel naar de pedaalas verkleind. Het is dan makkelijker de voet te stabiliseren op het pedaal en het geeft minder belasting op de achillespees en de kuitspieren.
Wanneer de bal van de voet achter de pedaalas staat, wordt de effectieve hefboom verlengd en is het moeilijker om de voet op het pedaal te stabiliseren. De consequentie hiervan is dat de achillespees en de kuiten zwaarder worden aangespannen om toch voldoende rigiditeit in de voet te krijgen.

Zadelhoogte
De zadelhoogte is de belangrijkste factor in de fietsafstelling. De zadelhoogte is voor het grootste deel bepalend voor de gewrichtshoeken van heup, enkel en knie. Onderzoek heeft dan ook aangetoond dat de instelling van de zadelhoogte, vergaande energetische consequenties heeft. De efficiëntie waarmee de spierkracht kan worden overgebracht, is met name afhankelijk van de spierlengtes. Rond deze optimale spierlengte kan het meest efficiënt kracht worden ontwikkeld.

De zadelhoogte is de afstand van de bovenkant van het zadel tot het hart van de pedaalas.
De crank loopt hierbij parallel aan de zitbuis.

Er zijn verschillende methodes om de zadelhoogte te bepalen:

  • Binnenbeenlengte x 1,08
  • Hakmethode: ga op je fiets zitten met de hak van je fietsschoen op het pedaal. Zorg er voor dat crank parallel loopt aan de zitbuis met het pedaal in de laagste positie.
  • De gemakkelijkste. De hoogte is goed afgesteld als je tijdens het fietsen bij maximale strekking je been licht gebogen is (25-30 graden)

Zitbuishoek / zadelterugstand
De zitbuishoek is de bepalende factor voor de positie van het zadel, de zogenaamde “zadelterugstand”.
De zitbuishoek is de hellingshoek van de zitbuis en de horizontaal, bij de meeste frames ligt dit rond de 73 graden. De zadelterugstand, bepaald voor een groot deel de efficiëntie van de krachtoverbrenging. Het bovenbeen wordt als een hefboom omlaag gedrukt en bedient hiermee de hefbomen van het onderbeen en de enkel en de voet. De krachtoverbrenging is het meest optimaal, wanneer de pedaal zich in de 3-4 uur positie bevind. De knie dient zich dan direct boven de as van de pedaal te bevinden (zie figuur) . De zadelterugstand wordt bepaald door de plaats waar het zadel bevindt en de geometrie van het zadel. De meest betrouwbare manier om dit te bepalen is een dynamische analyse.

Een duidelijk andere zitbuishoek zie je bij triatlon- en tijdrit fietsen, de hoek gaat hier richting 90 graden. Triatleten beweren dat ze in deze positie comfortabeler zitten, efficiënter kunnen rijden en meer kracht kunnen zetten. Bovendien zou de overgang van fietsen naar lopen natuurlijker zijn.
Ook zie je dat, afhankelijk van het parcours, fietsers anders op het zadel zitten. In de afdaling zitten ze vaak naar achteren terwijl tijdens een beklimming ze enigszins naar voren schuiven.