Anatomie van de cervicale wervelkolom
De bovenste 7 wervels vormen de cervicale wervelkolom. Deze loopt van de onderkant van de schedel tot de bovenkant van de thoracale wervelkolom. De eerste twee wervels hebben beide een unieke vorm en functie.

De bovenste nekwervel (C1) ondersteunt de schedel en wordt de atlas genoemd. Deze wervel fungeert als spil. De vormgeving van de atlas maakt voor- en achterwaartse beweging van het hoofd mogelijk, zoals bij ‘ja’ knikken. Onder de atlas zit een as die draaiing mogelijk maakt. Een benig uitsteeksel op de 2e nekwervel (C2), de dens, scharniert met de atlas, zodat het hoofd zijdelings kan draaien, zoals bij ‘nee’ schudden.

De vijf overige wervels (C3-C7) zijn dragende delen. Om deze wervels heen liggen spieren, bindweefsel, bloedvaten en zenuwen. Ook dienen de kraakbeenschijven (disci) tussen de wervels als schokbrekers voor de ruggengraat. Door zijn vorm en structuur biedt de cervicale wervelkolom ondersteuning voor en beweeglijkheid van het hoofd en de nek.

Nek- en schouderklachten komen relatief vaak voor bij fietsers.

De klachten bestaan doorgaans uit een zeurende pijn en stijfheid in de nek en/of schouderregio. Vaak zijn de klachten gelokaliseerd rond de aanhechtingen aan de bovenzijde van het schouderblad, tussen de schouderbladen en de schedel. In sommige gevallen ontstaat er uitstraling en/of tintelingen in een of beide armen en/of handen.
De oorzaken voor het ontstaan van deze klachten kan worden onderscheiden in:

  1. Niet goed ingestelde zitpositie
  2. Reeds bestaande klachten


ad 1. Niet goed ingestelde zitpositie
Nek- en schouderklachten treden op als de afstand van zadel naar stuur te kort is en/of het hoogteverschil tussen deze twee te groot is. De fietser rijdt dan met een (te) bolle rug en het kost extra inspanning om zijn blik naar voren gericht te houden. 



Wanneer de afstand van zadel naar het stuur te lang is en de zit daardoor te gerekt, kan dat ook schouder- en nekklachten veroorzaken als gevolg van toenemende spierspanning in de nekextensoren (nekstrekkers).

Regelmatig wisselen van de positie van de handen op het stuur kan nekpijn voorkomen. Daarom is voor het fietsen van lange afstanden een racestuur doorgaans comfortabeler omdat je dan meer keuze hebt waar de handen worden geplaatst. Een niet optimaal ingestelde stuurpositie, kan nek- en schouderklachten veroorzaken, maar een te breed stuur kan eveneens tot nek- en schouderklachten leiden.

ad 2. Reeds bestaande klachten
Nek en schouderklachten komen in het dagelijkse leven ook veel onder niet fietsers voor. Denk hierbij maar eens aan werkgerelateerde nek- en schouderklachten (RSI), hernia’s, slijtage, artrose, en reumatische klachten. Deze hoeven niet direct hun oorsprong te vinden in de fietshouding. Je kunt uiteraard wel de fietshouding zo instellen dat de klachten zo min mogelijk worden geprovoceerd.